Minimum Wage Hourly Command: een nieuwe manier om ongelijkheid, koopkracht en armoede in kaart te brengen

Minimum Wage Hourly Command: een nieuwe manier om ongelijkheid, koopkracht en armoede in kaart te brengen

gepubliceerd op: 20-08-2026 16:41 | gewijzigd op: 20-08-2026 16:41 | auteur: Hylke Hoogland-Domahidi

De afgelopen jaren heb ik veel in het buitenland verbleven. Ik ben in verschillende landen werkloos geweest en ik heb periodes bovengemiddeld verdiend. Het is mij opgevallen dat er door inflatie, krimpflatie, verschillende gemiddelde salarissen tussen landen, inkomensongelijkheid binnen een land, cultureel beïnvloede uitgavenpatronen, verschillende valuta's tussen landen en gebrekkige kennis bij consumenten vaak een totaal verkeerd beeld heerst van wat iets kost en wat iets zou moeten kosten. De instrumenten die op dit moment gebruikt worden om koopkracht, koopkrachtpariteit, ongelijkheid en armoede uit te drukken zijn mijns inziens niet voldoende om een helder beeld te krijgen van de daadwerkelijke kosten van bepaalde producten en diensten en van de koopkrachtsituatie van individuen en gezinnen. Tijdens het boodschappen doen in Roemenië betrapte ik mijzelf erop dat ik bij producten niet alleen keek naar de prijs per kilo en die vergeleek met de prijzen in Nederland, maar ook nadacht over de hoeveelheid uur die ik zou moeten werken om een bepaald product te kunnen kopen. Toen ik ontdekte dat een Roemeense arbeider die het wettelijk minimumloon verdient, met de opbrengsten uit één uur werk één bbq-saus in de supermarkt kan kopen en een Nederlander vier, vroeg ik mij af waarom we de koopkracht niet vaker uitdrukken in de hoeveelheid goederen en diensten die iemand af kan nemen met de opbrengsten uit een bepaalde tijdsinvestering in arbeid.

Tijd en koopkracht in wetenschappelijke bronnen

Tijd en koopkracht in wetenschappelijke bronnen

Ik begon mijn zoektocht naar het economische concept waarmee de prijs van een product uitgedrukt kan worden in de hoeveelheid tijd die iemand moet werken om het met monetaire middelen aan te kunnen schaffen. Of hoeveel producten aangeschaft kunnen worden met de monetaire opbrengsten uit een bepaalde hoeveelheid gewerkte uren. Tot mijn verbazing is er geen bekende, algemeen geaccepteerde term voor. Wel komt het idee terug in onderstaande boeken en publicaties.

 

Adam Smith schreef het volgende in Wealth of Nations (1776):  "Every man is rich or poor according to the degree in which he can afford to enjoy the necessaries, conveniences, and amusements of human life. But after the division of labour has once thoroughly taken place, it is but a very small part of these with which a man's own labour can supply him. The far greater part of them he must derive from the labour of other people, and he must be rich or poor according to the quantity of that labour which he can command, or which he can afford to purchase. The value of any commodity, therefore, to the person who possesses it, and who means not to use or consume it himself, but to exchange it for other commodities, is equal to the quantity of labour which it enables him to purchase or command. Labour, therefore, is the real measure of the exchangeable value of all commodities. The real price of everything, what everything really costs to the man who wants to acquire it, is the toil and trouble of acquiring it. What everything is really worth to the man who has acquired it, and who wants to dispose of it or exchange it for something else, is the toil and trouble which it can save to himself, and which it can impose upon other people. What is bought with money or with goods is purchased by labour as much as what we acquire by the toil of our own body. That money or those goods indeed save us this toil. They contain the value of a certain quantity of labour which we exchange for what is supposed at the time to contain the value of an equal quantity. Labour was the first price, the original purchase-money that was paid for all things. It was not by gold or by silver, but by labour, that all the wealth of the world was originally purchased; and its value, to those who possess it, and who want to exchange it for some new productions, is precisely equal to the quantity of labour which it can enable them to purchase or command."1

 

De meeste mensen moeten arbeid verrichten om met de monetaire opbrengsten uit die arbeid essentiële en minder essentiële zaken aan te schaffen om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. In de meeste gevallen is de hoeveelheid arbeid direct gekoppeld aan de hoeveelheid tijdsinvestering. En in de meeste gevallen is de hoogte van de monetaire opbrengst direct gekoppeld aan de hoeveelheid arbeid die verricht wordt.

 

James E. Thorold Rogers schreef in 1884 in "Six Centuries of Work and Wages: The History of English Labour": "An artizan, therefore, earned nearly a bushel of wheat by a day’s labour, and an ordinary labourer three-quarters of a bushel. A week’s work would enable an artizan to purchase more than a quarter of malt, and a little more than seven days’ work would supply the farm labourer with a quarter of malt. In so cheap a year as this, the peasant could provision his family for a twelvemonth with three quarters of wheat, three of malt, and two of oatmeal, by fifteen weeks of ordinary work; an artizan could achieve the same result in ten weeks. Such wages were regularly paid, and even more, particularly in London."2

 

Rogers geeft hier een duidelijk voorbeeld van ongelijkheid door de verschillen in koopkracht te tonen op basis van de hoeveelheid tijdsinvestering voor een bepaalde opbrengst en de hoogte van de opbrengst bij een bepaalde tijdsinvestering.

 

E. H. Phelps Brown en Sheila V. Hopkins schreven in 1956 in Seven Centuries of the Prices of Consumables, compared with Builders' Wage-rates: "Nowadays, real wages are commonly estimated by comparing money earnings with an index of the cost of living, but there are several reasons why we cannot do that here. On the side of income, all we have is the rate of pay for a day, and we do not know how many days' work the builder was getting in the year from time to time, nor what other resources he had. On the side of outlay, we know little or nothing about some important costs, notably rent, and the prices we do have are more wholesale than retail. These things apart, we still could not attach much meaning to " the cost of maintaining a constant standard of living " through seven centuries of social change. So we have not tried to construct any measure of real wages in the modern sense. Yet when we find the craftsmen who have been building Nuffield College in Oxford in our own day earning a hundred and fifty pennies in the time it took their forbears building Merton to earn one, the impulse to break through the veil of money becomes powerful: we are bound to ask, what sort of command over the things builders buy did these pennies give from time to time?"3

 

Brown en Hopkins laten hier een mooi voorbeeld zien van het feit dat er één constante is door de geschiedenis heen: tijd. Arbeiders verdienden in het voorbeeld 150 keer meer dan hun voorgangers voor dezelfde hoeveelheid arbeid. Dit betekent absoluut niet dat zij een 150 keer grotere koopkracht hadden. Valuta's veranderen, prijzen veranderen in absolute zin en in verhouding tot prijzen van andere producten, salarissen veranderen in absolute zin en in verhouding tot salarissen van andere beroepsgroepen, productieprocessen veranderen, er zijn periodes van schaarste, periodes van overvloed. Er is maar een factor die constant is, en altijd gelimiteerd is, de hoeveelheid tijd die een individu aan werk kan besteden.

 

Julian L. Simon schreef in 1981 in The Ultimate Resource: "The basic way to measure the cost of, say, copper, is with the ratios between the price of copper and the prices of other products. These ratios as in figure 1-1, show us the terms of trade between copper and non-extractive products. One such measure is to examine the price of copper relative to wages, as shown in figure 1-la. This price has declined very sharply (please notice the logarithmic scale in the figure). This means that an hour's work in the U.S. has bought increasingly more copper from 1800 to the present."4

 

Simon liet zien dat de schaarste van de meeste grondstoffen verminderd is, ondanks de groeiende wereldbevolking, door te kijken naar de hoeveelheid grondstoffen die gekocht kunnen worden met de opbrengsten uit één uur arbeid. In onderstaande grafieken is ook heel duidelijk te zien dat de prijs in verhouding tot de consumentenprijsindex een vertekend beeld geeft en dat de prijs in verhouding tot inkomen een duidelijke neerwaartse trend laat zien.

In "Pursuing Happiness: American Consumers in the Twentieth Century" (1993) schreef Stanley Lebergott: "Some Americans sing for their supper. Marian Anderson did, and so does Sherrill Milnes. But most Americans pay for their bread and beer, or caviar and champagne, by other work. They then spend over 90 percent of their incomes for consumption. On what terms did they make that exchange? Figure 9.1 reports how much an hour of work bought in 1900, 1929, 1960, and 1990. The advance was considerable by almost any standard."6

 

Lebergott gebruikt één uur arbeid om te laten zien welke koopkracht dat door de jaren heen brengt. Er is een duidelijk opwaartse trend te zien.

Lebergott schrijft verder: "The Kapauku Papuans enjoyed the sunny Pacific described by Hearn, Gaugin, and Margaret Mead. Their usual diet included insects, fish, and potatoes. Fishing was "a major responsibility of women." Women also gathered insects for food. On average they caught 2.2 pounds of fish in eight hours. Papuans also worked two hours a day to grow the sweet potatoes a family of four consumed each day. If women spent time cooking potatoes and fish, caring for children and chickens, or making cloth, clothing, fishhooks and digging sticks, their workday far exceeded nine hours. Americans exchange work for goods on much better terms. They grow 48 times as many sweet potatoes per workday as Papuans. They catch 118 times as much fish as Papuans, and 144 times as much as Australia's aborigines."8

 

Hier wordt een bepaalde tijdsinvestering en de opbrengst die dat oplevert tussen twee gebieden vergeleken. Lebergott geeft weer dat één werkdag van een Amerikaan vele malen meer oplevert in absolute middelen zoals voedsel dan een even lange werkdag van een Papoea.

 

In 'Do Real-Output and Real-Wage Measures Capture Reality? The History of Lighting Suggests Not' (1994) van William D. Nordhaus vond ik het volgende: "The earliest markets for lighting fuel arose in early Babylonia around 2000 B.C. According to Dubberstein (1938), Babylonians used sesame oil as an illuminant in temples, although it was too expensive to employ in homes. The wage of a common laborer was approximately one shekel per month, which was also approximately the price of two sutu (ten liters) of sesame oil. I have performed a number of experiments with sesame oil and lamps purportedly dating from Roman times (see the appendix). These experiments provide evidence that an hour’s work today will buy about 350,000 times as much illumination as could be bought in early Babylonia."9

 

Nordhaus heeft uitgerekend dat iemand met de monetaire opbrengsten uit één uur werk in 1994 350.000 keer meer kunstmatig licht aan kon schaffen dan iemand met de opbrengsten uit één uur werk in 2000 voor Christus.

 

In 2016 schreven W. Michael Cox en Richard Alm in "Onward and Upward! Bet on Capitalism—It Works": "The Bet should be scored in work- hour prices—the hours and minutes it takes an average worker to earn the money required to buy something. Work-hour prices are typically based on average hourly wages—but these data have a flaw. They don’t capture non-cash benefits, which are becoming a bigger share of what a typical worker earns. The data on total compensation include wages and benefits, and they’re a more accurate way to calculate work- hour prices because they incorporate all the rewards from work. For the average U.S. worker, inflation-adjusted total compensation rose steadily from $24.68 an hour in 1980 to $32.88 in 2015. Over time, work-hour prices of most goods and services fall faster than CPI-adjusted prices because employee compensation tends to rise faster than the overall price index. Since 1990, the work-hour prices of The Bet’s five metals fell almost twice as fast as the CPI-adjusted prices (see Exhibit 3). In work-hour terms, Simon wins The Bet in every year from 1980 to 2015, removing the ambiguity from the results."10

 

Cox en Alm geven in hun publicatie prachtig weer dat prijzen in verhouding tot de opbrengsten uit een uur arbeid een totaal ander beeld geven dan de prijzen in verhouding tot de consumentenprijsindex. The Bet verwijst naar een weddenschap die professoren Paul Ehrlich en Julian Simon aangingen. Ehrlich voorspelde dat de wereld spoedig onvoldoende grondstoffen zou hebben voor en door de groeiende wereldbevolking. Simon betoogde dat voor elk aanvullend mens op de aarde de productiviteit op zo'n manier zou stijgen dat er geen schaarste zou ontstaan.

Gale L. Pooley en Marian L. Tupy introduceren in 2018 in het door het CATO Institute gepubliceerde essay "The Simon Abundance Index: A New Way to Measure Availability of Resources" de term Time Price: "In this paper, we revisit the main points of contention in the debate regarding availability of resources and their relationship with population growth. Using the latest price data for 50 foundational commodities covering energy, food, materials, and metals, we propose a new way of measuring resource availability based on four concepts. First, the time-price of commodities allows us to measure the cost of resources in terms of human labor. We find that, in terms of global average hourly income, commodity prices fell by 64.7 percent between 1980 and 2017."12 Ze definiëren de term als volgt: "Time­ price is the amount of time that an average human has to work in order to earn enough money to buy a commodity."13 Ze geven aan dat de Time Price op de volgende manier berekend kan worden: "Real prices = nominal prices ÷ GDP deflator; Time Price = real price ÷ real hourly income"14 In 2019 bevestigen Gale L. Pooley en Marian L. Tupy in een blog post op de website van Human Progress dat ze het concept van Time Price geïntroduceerd hebben: "To arrive at our conclusions, we have come up with four new concepts: Time Price, Price Elasticity of Population, the Simon Abundance Framework and Simon Abundance Index ®."15 Ze definiëren de term hier als volgt: "The time price denotes the amount of time that a person has to work in order to earn enough money to buy something. To calculate the time price, the nominal money price is divided by nominal hourly income."16 Het verbaast mij enigszins dat ze in hun essay de berekening Time Price = real price ÷ real hourly income hanteren en in hun blog post Time Price = nominal money price ÷ nominal hourly income. Gelukkig komen de twee formules op hetzelfde neer. Omdat er bij real price de GDP deflator aan beide kanten van de breuk in zit, kan het weggestreept worden en kan gemakshalve dus ook de nominale prijs gebruikt worden.

\[\text{Time Price} = \frac{\text{Real Price}}{\text{Real Income}} = \frac{\frac{\text{Nominal Price}}{\text{GDP Deflator}}}{\frac{\text{Nominal Income}}{\text{GDP Deflator}}} = \frac{\text{Nominal Price}}{\text{Nominal Income}}\]

In 2023 wordt er in het boek Life after Capitalism: The Meaning of Wealth, the Future of the Economy and the Time Theory of Money van George Gilder aandacht besteed aan Time Price. Hij schreef: "Gale Pooley and Marian Tupy have worked to achieve by replacing Nordhaus’s immensely detailed calculations with one simple equation. Dividing nominal prices by the nominal wages of labor, they combine in one number two key effects of innovation: the rise in wages and the decline in costs. If we put this to the test with our Thanksgiving dinner, dividing nominal money prices by the hourly wage to get a time-price in hours and minutes, the price of a Thanksgiving dinner since 1986 has dropped 29.7 percent for the unskilled worker and 31.5 percent for the skilled blue-collar worker. Still, for any particular wage earner even these numbers are deceptive. Unskilled workers do not typically remain unskilled throughout their careers. The vast majority of these workers will ascend to the middle class. Assuming a normal promotion and learning curve, a Thanksgiving dinner that cost 32.9 minutes for an unskilled laborer to earn in 1986 cost him only 9.2 minutes in 2021, assuming that worker had ascended to skilled blue-collar status. His time-price had dropped more than 70 percent."17

 

Gilder toont hier aan dat de kosten van een bekende Amerikaanse traditie significant zijn gedaald voor mensen in loondienst tussen 1986 en 2021, gebruikmakend van het concept Time-Price van Pooley en Tupy.

In maart 2026 publiceert Marian L. Tupy een artikel getiteld "Measuring Affordability in Time, Not Dollars Paints a Different Inflation Picture" op de website van het Cato Institute waarin hij zijn concept Time-Price lostrekt van grondstoffen en adviseert het toe te passen op een breed scala aan producten en diensten. Hij schrijft: "There is a deeper issue in the way we discuss these numbers. We focus almost exclusively on dollar prices. We see a higher sticker price and infer that life has become less affordable. Economists call this cognitive shortcut money illusion — reacting to nominal prices without accounting for income changes. But households do not consume dollars. They consume goods and services purchased with the fruits of their labour. The relevant question is not simply whether prices are rising, but how many hours of work are required to purchase what we need and want. If wages rise faster than prices, the burden of obtaining goods falls — even if the nominal price increases. If wages lag behind prices, the burden rises — even if inflation appears modest. This is the logic behind ‘time pricing’. Instead of measuring affordability in dollars, we measure it in hours."19

 

Ik sluit me volledig aan bij bovenstaande gedachtegang. Nominale prijzen, en zelfs prijzen met inflatiecorrectie, geven een onvolledig beeld van de daadwerkelijke kosten en koopkracht. De basis moet tijd zijn.

 

Ik deel graag nog twee aanvullende bronnen die aansluiten op deze denkwijze.

 

The National Low Income Housing Coalition is een organisatie die de betaalbaarheid van huurwoningen in Amerikaanse staten uitdrukt in de hoeveelheid uur die iemand met het minimumloon per week moet werken om het een maand te kunnen huren. Zij geven, bijvoorbeeld, aan dat iemand in New York met het minimumloon 108 uur per week moet werken om één maand een middelmatig appartement met één slaapkamer te kunnen huren.20 Dit toont aan dat de regio volstrekt onleefbaar is voor mensen die het minimumloon verdienen. 

 

De Zwitserse bank UBS heeft tussen 1971 en 2018 17 keer koopkrachtcijfers gepubliceerd van wereldsteden.21 In deze publicaties staat data over de hoeveelheid minuten en uren die in bepaalde steden gewerkt moet worden om bepaalde goederen aan te kunnen schaffen. In Amsterdam moet iemand bijvoorbeeld gemiddeld 7 minuten werken om een kilogram brood te kunnen kopen, en in Nairobi 44 minuten.22

We zien dat er soms sprake is van Time-Price: de hoeveelheid tijd die iemand aan arbeid moet besteden om met de opbrengsten iets aan te kunnen schaffen. Bijvoorbeeld: iemand moet 15 minuten werken voor een kilo bloem. Soms is sprake van koopkracht op basis van een bepaalde hoeveelheid tijdsinvestering in werk. Bijvoorbeeld: met de opbrengst uit één uur werk kan 4 kilo bloem gekocht worden.

 

Hieronder staan de belangrijkste bronnen in een overzichtelijke tijdlijn:

1776

Adam Smith - Wealth of Nations

1884

James E. Thorold Rogers - Six Centuries of Work and Wages: The History of English Labour

1956

E. H. Phelps Brown, Sheila V. Hopkins - Seven Centuries of the Prices of Consumables, compared with Builders' Wage-rates 

1981

Julian L. Simon - The Ultimate Resource

1993

Stanley Lebergott - Pursuing Happiness: American Consumers in the Twentieth Century

1994

William D. Nordhaus - Do Real-Output and Real-Wage Measures Capture Reality? The History of Lighting Suggests Not

2016

W. Michael Cox, Richard Alm - Onward and Upward! Bet on Capitalism—It Works

2018

Gale L. Pooley, Marian L. Tupy - The Simon Abundance Index A New Way to Measure Availability of Resources

2019

Gale L. Pooley, Marian L. Tupy - The Simon Abundance Index 2019

2023

George Gilder - Life after Capitalism: The Meaning of Wealth, the Future of the Economy and the Time Theory of Money

2026

Marian L. Tupy - Measuring Affordability in Time, Not Dollars Paints a Different Inflation Picture

Minimum Wage Hourly Command & Minimum Wage Command Ratio

Minimum Wage Hourly Command & Minimum Wage Command Ratio

Ik introduceer de concepten Minimum Wage Hourly Command – hierna afgekort als MWHC, en Minimum Wage Command Ratio – hierna afgekort als MWCR. Ik was, vanwege het feit dat het concept duidelijk gedefinieerd was, oorspronkelijk geneigd om de richting van Pooley en Tupy te volgen: de kosten van een goed of dienst uitgedrukt in de tijd die ervoor gewerkt moet worden om het af te kunnen nemen. Ik vind het echter minder intuïtief dan de hoeveelheid goederen en diensten die afgenomen kan worden met de opbrengsten uit één uur werk. Ik kies dus de richting van Brown, Hopkins, Simon, Lebergott en Nordhaus. Met MWHC wordt uitgedrukt hoeveel eenheden van een bepaalde basisbenodigdheid, product of dienst aangeschaft kan worden met het netto-inkomen uit één uur geleverde arbeid met het wettelijk minimumloon. 

 

Bij het berekenen van de MWHC worden de prijzen en lonen uit hetzelfde gebied gebruikt. Het wettelijk minimumloon per uur in Roemenië wordt bijvoorbeeld niet gebruikt om de MWHC van een product uit een Nederlandse supermarkt te berekenen. Dit zou namelijk problemen opleveren: valuta speelt dan een rol, en het is niet realistisch. Vrijwel niemand leeft in Nederland met een Roemeens minimumloon en vrijwel niemand leeft in Roemenië met een Nederlands minimumloon. Het Nederlands minimumloon wordt gebruikt voor het Nederlandse product en vervolgens wordt het Roemeense minimumloon gebruikt voor een vergelijkbaar product in Roemenië om zo tot een vergelijking te kunnen komen. Als een gebied geen minimumloon kent, zal ik het niet meenemen in de statistieken en vergelijkingen. Het minimumloon vanaf een leeftijd van 21 wordt gebruikt. In het geval dat er een minimumloon per uur vastgelegd is, zal dat gebruikt worden. Indien het per maand vastgelegd is zal het nettosalaris gedeeld worden door de gemiddelde hoeveelheid uur die in dat gebied contractueel vastgelegd is en uitbetaald wordt bij een fulltime dienstverband. Ik gebruik enkel het netto-uurloon: zonder toeslagen, vakantiegeld, vakantie-uren en bijslagen. Om van een bruto-uurloon tot een netto-uurloon te komen, wordt gekeken naar wat men gemiddeld netto overhoudt per maand bij de gemiddelde hoeveelheid uur die in dat gebied contractueel vastgelegd is en uitbetaald wordt bij een fulltime dienstverband. De prijzen die ik hanteer zijn consumentenprijzen, inclusief alle toepasselijke belastingen. De officiële valuta van het gebied wordt gebruikt, er hoeft niet omgerekend te worden. De valuta is namelijk irrelevant voor het berekenen van de MWHC.

 

Met MWCR wordt in een ratio aangegeven hoeveel hoger of lager de koopkracht is in een gebied betreffende een bepaalde eenheid, vergeleken met een ander gebied of een gemiddelde van een groep gebieden.

 

Er wordt bewust gebruik gemaakt van het woord gebied. Als ik het woord land zou gebruiken, kunnen we de concepten bijvoorbeeld niet toepassen op staten binnen de VS waar verschillende minimumlonen gelden. Een gebied kan hier dus een (gedeeltelijk erkend) land, staat binnen een federaal systeem, autonome regio, of ander soort regio zijn waar een wettelijk minimumloon geldt.

Eenheden

Eenheden

Om te zorgen dat de MWHC-waarden intuïtieve getallen zijn die binnen bepaalde categorieën met elkaar vergeleken kunnen worden, hanteer ik de volgende eenheden voor het berekenen van de waarden.

Er is bij diesel, benzine en LPG rekening gehouden met het gemiddelde verbruik per brandstoftype23, vandaar dat de cijfers verschillen. Uiteindelijk gaat het om de hoeveelheid kilometer die iemand kan reizen met een bepaald budget. Ik heb gekozen voor een reislengte van 6 kilometer om het verbruik te berekenen. Let op dat de MWHC waarden niet vergeleken kunnen worden tussen vervoer met de auto en het openbaar vervoer. Er wordt hier namelijk bij de auto enkel gekeken naar de brandstofkosten per kilometer en dat is maar een deel van de kosten per kilometer. Ook kunnen er meerdere personen in één auto zitten en zijn de prijzen bij het OV per persoon.

 

Verder kunnen de MWHC en MWCR uitgerekend worden voor losse producten. Men kan bijvoorbeeld een vergelijking maken tussen de hoeveelheid kilogram patentbloem in Nederland en de rest van de EU die gekocht kan worden in de supermarkt met de opbrengsten uit één uur geleverde arbeid met het wettelijk minimumloon. De vergelijking kan gemaakt worden voor elk product of elke dienst die qua eigenschappen te vergelijken is tussen twee gebieden.

Formules

Formules

De formules om de MWHC en MWCR te berekenen zijn eenvoudig, het moeilijke zit in het vergaren van de brondata. Hieronder staan de formules die nodig zijn om tot de MWHC en MWCR te komen.

a) Nominaal netto maandelijks minimumloon (indien het minimumloon wettelijk per uur is vastgesteld)

\[W_{\text{net, monthly}} = (W_{\text{gross, hourly}} \times H_{\text{paid}}) - T\]

b) Nominaal netto maandelijks minimumloon (indien het minimumloon wettelijk per maand is vastgesteld)

\[W_{\text{net, monthly}} = W_{\text{gross, monthly}} - T\]

c) Aantal daadwerkelijk gewerkte uren

\[H_{\text{worked}} = H_{\text{paid}} - H_{\text{free}}\]

d) Netto verdiensten per daadwerkelijk gewerkt uur

\[W_{\text{worked, hourly}} = \frac{W_{\text{net, monthly}}}{H_{\text{worked}}}\]

e) Minimum Wage Hourly Command van een gebied

\[\text{MWHC}_X = \frac{W_{\text{worked, hourly,}\ X}}{P_{\text{commodity,}\ X}}\]

f) Minimum Wage Command Ratio tussen twee gebieden

\[\mathrm{MWCR}_{X/Y} \;=\; \frac{\mathrm{MWHC}_{X}}{\mathrm{MWHC}_{Y}}\]

g) Gemiddelde Minimum Wage Hourly Command van groep gebieden

\[\text{MWHC}_{\text{group}} = \frac{1}{n} \sum_{i=1}^{n} \text{MWHC}_{i}\]

h) Minimum Wage Command Ratio tussen een gebied en een groep gebieden

\[\mathrm{MWCR}_{X/\mathrm{group}} \;=\; \frac{\mathrm{MWHC}_{X}}{\mathrm{MWHC}_{\mathrm{group}}}\]

Voorbeeld van de berekeningen van de MWHC en MWCR tussen Nederland en Roemenië van elektriciteit:

a) Nederland (EUR): (14,99 * 169) -  200,31 = 2.333

b) Roemenië (RON): 4.325 - 1.626 = 2.699

c) Nederland: 169 - 21 = 148

    Roemenië: 174 - 21 = 153

d) Nederland (EUR): 2.333 / 148 = 15,76

    Roemenië (RON): 2.699 / 153 = 17,64

e) Nederland (EUR): 15,76 / 0,2558 = 61,61

    Roemenië (RON): 17,64 / 1,5193 = 11,61

f) Nederland versus Roemenië: 61,61 / 11,61 = 5,31

Dit betekent dat iemand in Nederland met de verdiensten uit één uur werk 5,3 keer de hoeveelheid elektriciteit af kan nemen vergeleken met iemand in Roemenië.

Voordelen MWHC & MWCR

Voordelen MWHC & MWCR

Ik heb zeer bewust gekozen om het minimumloon te gebruiken en niet het gemiddelde of mediaan inkomen. Het minimumloon heeft namelijk al bepaalde informatie in zich. Een democratische samenleving die een wettelijk minimumloon hanteert, geeft daarmee aan dat men minimaal een bepaalde hoeveelheid geld moet verdienen bij een bepaalde hoeveelheid werk om een menswaardig leven te kunnen leiden. Omdat het om het minimuminkomen gaat, en dus in principe iedereen die (legaal en met een arbeidsovereenkomst) werkt er niet onder zou moeten komen, zal de MWHC aantonen dat sommige mensen in Europa door de ondergrens van een acceptabel bestaansminimum zakken qua koopkracht. Huidige concepten om de koopkracht te meten en uit te drukken bieden onvoldoende informatie om helder te krijgen of er groepen zijn die achtergesteld raken en in de knel komen. 

Nadelen MWHC & MWCR

Nadelen MWHC & MWCR

Het voordeel dat het combineren van de koopkracht per gewerkt uur en het minimumloon nuttige informatie bevat, is ook meteen een nadeel. Theoretisch kan het zo zijn dat een land een laag wettelijk minimumloon heeft en dat uit de MWHC blijkt dat mensen met de koopkracht in dat land door de ondergrens zakken, maar dat niemand in dat land de facto het minimumloon verdient. Dit is uiteraard nergens het geval, maar de grootte van de groep die het minimumloon verdient zal verschillen per gebied waardoor de MWHC- en MWCR-waarden niets zeggen over de hoeveelheid mensen die in de knel komt.

Doelstellingen

Doelstellingen

Er zijn drie primaire zaken waarvoor ik de resultaten die voortvloeien uit de MWHC en MWCR wil gebruiken. 

 

Ten eerste wil ik met het de cijfers inzichtelijk krijgen welke sectoren/producten/diensten/basisbehoeften in bepaalde regio's onnatuurlijk hoge prijzen hebben. Deze hoge prijzen kunnen komen door een gebrek aan eerlijke concurrentie, corruptie, een gebrek een innovatie, remmende bureaucratie, etc. In theorie zouden veel prijzen qua koopkracht binnen de vrije handelsruimte van de Europese Unie in de buurt van elkaar moeten liggen, omdat te grote verschillen het voor ondernemers aantrekkelijk zou moeten maken om in dat gat te springen. Dit gebeurt te vaak niet en ik heb het gevoel dat er veel sectoren zijn die kunstmatig hoge prijzen hanteren. Dit is slecht voor de consument en de economie. 

 

Ten tweede wil ik aantonen dat het minimumloon in sommige gebieden absoluut niet hoog genoeg is voor een menswaardig bestaan. Het is bekend dat de schade die de slechte leefomstandigheden – veroorzaakt door een te laag inkomen – het individu berokkenen, niet enkel eindigt bij het individu. Dit kost de samenleving geld. 

 

Tenslotte wil ik graag inzichtelijk maken dat mensen die vergelijkbare functies uitvoeren, en dezelfde hoeveelheid uur werken in verschillende gebieden een totaal andere lokale koopkracht hebben. Dit geeft aan dat de tijd van een individu in, bijvoorbeeld, Roemenië simpelweg minder gewaardeerd wordt dan van een individu in Nederland. Dit wakkert minderwaardigheidsgevoelens aan bij individuen en groepen. Het is ook een motor achter migratie. Hiermee wil ik duidelijk maken dat de noodzaak om te migreren als arbeider in veel gevallen volledig bepaald wordt door externe factoren, die niet door een individu te beïnvloeden zijn.

 

Ik zal losse working papers publiceren over deze drie doelstellingen.

Case study: Nederland versus Roemenië

Case study: Nederland versus Roemenië

Ik licht graag Nederland en Roemenië uit om een voorbeeld te geven van de resultaten. Ik heb het grootste deel van mijn leven in Nederland gewoond en ik woon de afgelopen jaren in Roemenië. Veel koopkrachtverschillen zijn mij in het dagelijks leven reeds opgevallen, maar ik wil het graag in cijfers zien. Hieronder deel ik grafieken waar de verschillen duidelijk zichtbaar zijn. Later volgen op deze website de MWHC- en MWCR-gegevens voor alle lidstaten in de EU die een wettelijk minimumloon kennen. De bronnen waar onderstaande resultaten op gebaseerd zijn zullen vindbaar zijn op de landspecifieke pagina's. 

De resultaten betreffende de MWHC van vast- en mobiel internet verbazen allerminst. Het is bekend dat Roemenië goede internetverbindingen heeft tegen scherpe prijzen. Dit heeft er onder andere mee te maken dat Roemenië DSL overgeslagen heeft en daardoor relatief vroeg begon met de aanleg van glasvezel.24/25/26 Studenten legden zelf ethernet-kabels aan om elk appartement in een gebouw gebruik te laten maken van de snelle internetverbinding. Hierdoor betaalde een heel gebouw vaak maar voor één internetabonnement.27 Verrassend genoeg zijn de prijzen door de jaren heen niet enorm gestegen.

Ook deze resultaten zijn zeer verklaarbaar. Nederland stuurt aan op het gebruik van elektriciteit en afkoppelen van gas.28 Roemenië doet het tegenovergestelde.29/30 Let op dat de resultaten gaan over kwh energie en niet kwh nuttige warmte. Ondanks dat de koopkracht hoger is in Nederland voor gas, is het verwarmen van je huis met elektriciteit met een warmtepomp bijvoorbeeld vaak goedkoper.

Belangrijke kanttekening voor deze grafiek is dat in Roemenië maar 6% van de mensen huurt. Vrijwel iedereen bezit zijn/haar woning.31 In Nederland is het aandeel huurders een stuk hoger.32

Uit deze resultaten blijkt heel duidelijk dat in Nederland en Roemenië LPG verreweg de goedkoopste optie is per gereden kilometer. Ook is er een schokkend verschil in de betaalbaarheid van brandstoffen voor iemand die het minimumloon verdient tussen de twee landen. Dit betekent dat de mobiliteit met een personenauto in Roemenië voor personen met het minimumloon significant lager is dan voor mensen in Nederland uit dezelfde groep.

Een verklaring voor het feit dat reizen in Roemenië met de bus/tram/metro relatief goedkoper is per 6 kilometer dan met de trein/bus/tram/metro in Nederland en trein in Roemenië is dat er vaste prijzen gelden voor vrijwel alle trajecten. Mensen betalen tussen de 3 en 5 RON, onafhankelijk van de afstand.33/34/35 Voor het openbaar vervoer in Nederland wordt er met een starttarief en per kilometer gerekend.36/37 Het is daardoor wel lastig om voor Roemenië de MWHC-waarden goed uit te rekenen. Er moet op basis van bronnen een schatting gemaakt worden van de gemiddelde gereisde hoeveelheid kilometer.

Wat dit resultaat extra schrijnend maakt, is dat de kwaliteit van het kraanwater op sommige plekken in Roemenië zo slecht is dat je er niet met een gerust hart van kan drinken.38/39

Voor Nederland zijn de prijzen gebruikt van Albert Heijn, Plus en Dirk op 20-08-2026. Voor Roemenië zijn de prijzen gebruikt van Mega Image en Auchan op 20-08-2026. Normaliter gebruiken we het gemiddelde van drie supermarkten, maar in Roemenië zijn er helaas niet drie supermarkten met meer dan 4% marktaandeel die hun prijzen online publiceren. Alle ketens die we nu gebruikt hebben, hebben een marktaandeel van meer dan 4%.40/41  Het mandje voor drinken bestaat uit: 1.5 liter Pepsi Regular, 1 liter halfvolle melk, 1 liter sinaasappelsap uit de koeling, 1.5 liter bruisend water (merkloos/huismerk), 1 liter Heineken (5% alcohol). Alles is exclusief statiegeld. Het mandje voor eten bestaat uit: 1 kilogram bananen (geen Bio), 1 kilogram patentbloem, 6 eieren, 500 gram pinda's (ongezouten), 500 gram rundergehakt.

Zoals in bovenstaande tabel met MWCR-waarden te zien is, is het leven in Nederland voor iemand die het minimumloon verdient in de meeste gevallen significant goedkoper dan voor iemand in Roemenië. Enkel bij vast en mobiel internet en reizen met de bus/tram/metro is de koopkracht per gewerkt uur hoger in Roemenië, waarbij bij het reizen met de bus/tram/metro dus wel de kanttekening geplaatst moet worden dat men een vast tarief betaalt per traject. Iemand die altijd maar 2 haltes reist naar werk, betaalt relatief meer per kilometer dan iemand in Nederland. Iemand die bijvoorbeeld full-time vakkenvult in Roemenië kan op geen enkele manier hetzelfde leven leiden als iemand die fulltime vakkenvult in Nederland. De Roemeen zal vaker in de kou zitten in de winter, zal minder kunnen reizen, zal minder snel van gas naar elektriciteit overstappen, zal op een kleinere oppervlakte wonen wanneer er gehuurd wordt, zal de grootste moeite hebben om enigszins binnen budget boodschappen te doen en zal minder water kunnen verbruiken. Wel zal de Roemeen voor een mooi bedrag een snelle vaste internetverbinding en een mobiel internetabonnement kunnen afnemen.

 

In de komende periode zal ik aanvullende working papers publiceren over de drie doelstellingen die ik in deze publicatie geformuleerd heb. Ook zal ik voor elke EU-lidstaat de MWHC- en MWCR-waarden uitrekenen en publiceren. Daarnaast zullen de bronnen die zijn gebruikt om tot de resultaten in bovenstaande grafieken te komen gepubliceerd worden op de landspecifieke pagina's. En bij brandstoftypes zal op termijn ook elektriciteit toegevoegd worden om de kosten van het verbruik per kilometer van elektrische auto's te vergelijken met benzine, diesel en LPG.


gepubliceerd op: 20-08-2026 16:41 | gewijzigd op: 20-08-2026 16:41 | auteur: Hylke Hoogland-Domahidi

Bronnen